Recent heeft onze vereniging Belgian Waste-to-Energy vernomen dat er door bedrijven actief in Nederland en Duitsland voorstellen tot export gemaakt worden voor Belgisch afval (huishoudelijk én bedrijfsafval) en dit aan tarieven die duidelijk onder de marktprijs liggen.
Zoals gekend in de sector kampen Nederland en bepaalde regio’s in Duitsland met een overschot aan verbrandingscapaciteit. Volgens de informatie waarover we beschikken, lijken de betrokken exploitaties - met het oog op het verzadigen van hun capaciteit - hun vaste kosten te verrekenen op de lokale afvalstromen en enkel de variabele kosten door te rekenen voor het geïmporteerd afval, wat dus tot een marginale prijs leidt.
Dit komt neer op een ongelijke behandeling van de gebruikers: de Nederlandse en Duitse producenten betalen zo een hogere verwerkingsprijs dan de buitenlandse producenten. Wij stellen ons heel wat vragen bij deze praktijk die naar “dumping” neigt.
BW2E is van mening dat het exporteren van Belgisch restafval naar onze buurlanden ingaat tegen het zelfvoorzienings- en nabijheidsprincipe van de regionale autoriteiten. Bovendien stellen wij ons ook de vraag welke extra milieubelasting (CO2-uitstoot) deze verdere transporten met zich zullen meebrengen. En is de export van restafval niet in tegenspraak met de Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (1013/2006)?
Tegelijkertijd hebben we ook onze bedenkingen bij het feit dat installaties in Duitsland (en binnenkort ook in Nederland) reeds het R1-statuut verworven zouden hebben. Is de interpretatie van de formule uit de bijlage van de Kaderrichtlijn voor Afval (2008/98/EG) voor de berekening van de energetische efficiëntie dan reeds officieel in deze nationale wetgevingen omgezet terwijl de Europese guideline hieromtrent nog niet afgerond werd?
BW2E is er van overtuigd dat in een stabiele marktsituatie, valorisatie door verbranding geen enkel nadelig effect heeft op de inspanningen, vereist door de autoriteiten, voor recyclage en afvalpreventie. In tegendeel, meerdere studies tonen aan dat landen met een goed uitgebouwde Waste-to-Energy infrastructuur gekoppeld aan vrijwillige stortverboden tegelijkertijd ook de hoogste recyclagegraad hebben. Indien echter abnormaal lage verbrandingstarieven aangeboden worden, valt te vrezen dat de stimulans voor preventie, selectieve inzameling en recyclage mogelijks vermindert.
Onze sector maakt zich dan ook ongerust over de mogelijke invloed van deze praktijken op de Belgische markt. We willen zeker vermijden dat door de export van restafval onze Belgische installaties, gedimensioneerd in de geest van de regionale afvalplannen, met ongebruikte capaciteit achter blijven en dat de vaste kosten verhaald zullen worden op de gemeenten en dus de burger. Het lijkt BW2E ook logischer dat landen met overcapaciteit voor verbranding, zich eerder richten op landen waar momenteel een groot tekort is aan verbrandingscapaciteit.