Belgian Waste-to-Energy vertegenwoordigt alle Belgische installaties die huishoudelijk en vergelijkbaar restafval energetisch valoriseren. Met een capaciteit van 2,55 miljoen ton produceren deze installaties jaarlijks meer dan 1 miljoen MWh elektriciteit, voldoende voor eigen intern gebruik (23 %) én om ruim 234 000 gezinnen van elektriciteit te voorzien. Daarnaast produceren zij ook nog warmte voor eigen gebruik (38 %) en diverse warmtetoepassingen in een industriële context (bijna 500 000 MWh).
Met dit document wenst BW2E zijn standpunt weer te geven i.v.m. de interpretatie van de formule uit de WFD (2008/98/EG) betreffende de berekening van de energetische efficiëntie van een Waste-to-Energy-installatie.
De gevolgen van het al dan niet behalen van de R1-status moeten nog duidelijk worden. Naast de vraag welke invloed dit zal hebben op de export/import van afval, kan de status immers ook een invloed hebben op het bepalen van de milieuheffing, het verkrijgen of verlengen van vergunningen, ....
Het belangrijkste voor onze organisatie is het uniformiseren van de interpretatie van deze formule in alle lidstaten. Het bewaken van dit level playingfield zal één van de grootste uitdagingen van de Europese Commissie zijn!

Systeemgrenzen:
BW2E gaat ervan uit dat
a. alle processen anders dan de thermische verwerking die plaatsvinden op dezelfde site als de Waste to Energy-installatie -zoals het uitsorteren of shredderen van afval, zoals een bodemasbehandeling of MBT... - buiten de systeemgrenzen van de WtE-installatie vallen. Of deze processen nu energie van de WtE-installatie gebruiken of niet, maakt geen verschil.
b. de rookgasreinigingsinstallatie – alhoewel integraal deel uitmakend van een WtE-installatie – buiten de systeemgrenzen moet beschouwd worden. Indien de rookgasreinigingsinstallatie binnen de systeemgrenzen beschouwd wordt, kan de energetische efficiëntie van de totale installatie verhogen indien de rookgasreiniging minder energie verbruikt.
De operatoren van installaties zouden slechts die hoeveelheid energie kunnen gebruiken die nodig is om net onder de maximale emissiewaarden te blijven. Het nemen van extra initiatieven om de emissies te verminderen, zou bestraft worden op gebied van energetische efficiëntie wat dus een negatieve en ongewenste ‘bijwerking’ van deze formule is!
Daarom dient de rookgasreiniging buiten de systeemgrenzen beschouwd te worden en houdt dit concreet in dat
Deze redenering verzekert een gelijk speelveld voor installaties die energie importeren voor hun rookgasreininiging en installaties die hiervoor zelf geproduceerde energie aanwenden.
c. indien de turbine eigendom is van en beheerd wordt door de WtE-installatie, de turbine binnen de systeemgrenzen beschouwd wordt. Dit betekent dat de stoom die naar de turbine gaat, niet bij Ep heat gerekend wordt. De elektriciteit geproduceerd door de turbine komt dan uiteraard wel bij Ep electricity.
Indien echter de turbine behoort tot een derde partij die het beheer ervan doet, kan de WtE-installatie niet verantwoordelijk gesteld worden voor de wijze waarop de turbine beheerd wordt. Dus is het mogelijk dat de turbine in dat geval buiten de systeemgrenzen beschouwd wordt. Dit houdt dan in dat de stoom die naar de turbine gaat, bij Ep heat gerekend wordt. Tegelijkertijd betekent dit dat alle elektriciteit die de WtE-installatie gebruikt, bij Ei gerekend wordt net als de bleed steam (zie verder bij Ep).
In Ep moet zeker met de totale hoeveelheid geproduceerde energie (som van de geëxporteerde hoeveelheid energie en de intern gebruikte energie) gerekend worden. De definitie van Ep spreekt immers duidelijk over de “hoeveelheid energie die geproduceerd wordt” en niet alleen over “de hoeveelheid energie die geëxporteerd wordt”.
Onder commercieel toegepaste warmte verstaan we zowel de geëxporteerde warmte als de warmte die intern aangewend wordt. Immers, indien niet voorzien door het afval, zou deze vereiste energie geïmporteerd moeten worden.
Zoals reeds vermeld, wordt een deel van de intern gebruikte stoom en elektriciteit aangewend voor het behalen van verplichte milieudoeleinden en dient dus bij Ep geteld te worden.
Ep = (Ep heat x 1.1) + (Ep electricity x 2.6) met
De geproduceerde warmte die binnen de installatie gebruikt wordt, wordt als een commerciële toepassing beschouwd. Dus dient ook deze hoeveelheid warmte met factor 1.1 vermenigvuldigd te worden. Analoog zoals de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit die intern gebruikt wordt, met 2.6 vermenigvuldigd wordt. Zo wordt immers overal met dezelfde ‘eenheden’ primaire energie gerekend.
*Bleed steam: dit is de hoeveelheid stoom die bij de tussenaftap (midden druk en lage druk) van de turbine ‘afgetapt’ wordt en niet in elektriciteit wordt omgezet. Afhankelijk van installatie tot installatie wordt deze stoom ingezet voor het op temperatuur houden van de ontgasser, voor de verwarming van de burelen, voor het opwarmen van het condensaat of de primaire verbrandingslucht, .... Deze hoeveelheid wordt berekend op basis van de turbinegegevens (druk, temperatuur, maximaal debiet) en omgerekend in functie van de belasting van de turbine.
**Vernietigde stoom: Indien stoom na productie vernietigd wordt (vb. voor connectie met het net), dient deze hoeveelheid toch bij Ep heat geteld te worden, zeker indien deze geëxporteerd wordt naar een derde partij die buiten de macht van de WtE-installatie een deel stoom vernietigt. Uiteraard belet dit niet om naar oplossingen op zoek te gaan om een maximum van deze hoeveelheid stoom te valoriseren.
Bij de berekening van Ep heat wordt gewerkt met de netto-enthalpie van de geproduceerde stoom/oververhit water. De enthalpie van het ketelvoedingswater dat in de ketel binnenkomt wordt afgetrokken van de bruto enthalpie van de geproduceerde stoom/oververhit water. Voor de bepaling van de enthalpie stellen we voor gebruik te maken van referentietabellen (http://www.spiraxsarco.com/resources/steam-tables/superheated-steam.asp).
We rekenen met de druk, temperatuur en debiet gemeten aan de systeemgrenzen: leidingverliezen mogen immers geen invloed hebben op de bepaling van de geproduceerde energie.
De WFD stelt dat enkel installaties die specifiek bestemd zijn om vast stedelijk afval te verwerken, binnen de scope van de R1-formule vallen. Volgens BW2E betekent dit dat de installatie ontworpen en vergund dient te zijn voor het verwerken van vast stedelijk afval maar niet noodzakelijk dat het de grootste input van de installatie moet zijn.
Het is voor BW2E wel duidelijk dat meeverbranders buiten de scope vallen omdat deze installaties van een totaal andere aard zijn dan WtE-installaties en bovendien geen gelijk speelveld kennen o.a. wat betreft emissies.
Ook in België wordt duidelijk ervaren dat de efficiëntie van de turbine daalt indien de temperatuur stijgt. BW2E is dan ook (conform art. 38 van de WFD) voorstander van het uitwerken van een klimatologische correctiefactor. Ook hier benadrukken we dat dit op een uniforme manier dient te gebeuren in alle lidstaten.
Volgens BW2E dient de berekening van de energetische efficientie door een onafhankelijk en erkend organisme te gebeuren.
BW2E stelt voor bestaande installaties de volgende procedure voor:
Voor nieuwe installaties of vernieuwde installaties:
Voor het behouden van de R1-status, zijn wij voorstander van
Indien door omstandigheden die buiten de macht van de installatie liggen (vb. stopzetten van afnemen van energie door derde, ...), een installatie de R1-status verliest, kunnen er maatregelen voorgesteld worden door de beheerder van de installatie om de R1-status terug te krijgen binnen een bepaalde periode. Gedurende deze periode wordt de installatie nog steeds als R1 beschouwd na goedkeuring door de lokale autoriteit.
Indien een installatie de R1-status verliest, kan na technische aanpassingen opnieuw een controle gelanceerd worden door de eigenaar om terug de R1-status te bekomen.